Bron selecteren
Selecteert de scanner die u wilt gebruiken.
Het dialoogvenster geeft instellingen weer voor de geselecteerde scanner en de scantaak.
Bronnen
Toont een lijst met beschikbare scanners die in uw systeem zijn gedetecteerd. Klik op een scanner in de lijst en druk op Selecteren om het dialoogvenster voor scannerconfiguratie te openen. Het configuratiedialoogvenster is afhankelijk van het geïnstalleerde scannerstuurprogramma.
Scangebied
Links, rechts, boven, onder
Stel de marges van het scangebied in.
Voorbeeld
Toont een voorbeeld van de gescande afbeelding. Het voorbeeldgebied bevat acht handvatten. Versleep de handvatten om het scangebied aan te passen of voer een waarde in het bijbehorende marge-draaivak in.
Gebruikt apparaat
Selecteer het scannerapparaat in de lijst met apparaten die door uw systeem zijn gedetecteerd.
Resolutie [DPI]
Selecteer de resolutie in dots per inch voor de scantaak. De beschikbare resoluties zijn afhankelijk van het scannerstuurprogramma.
Geavanceerde opties tonen
Schakel dit selectievakje in om meer configuratieopties voor het scannerapparaat weer te geven. De set opties wordt weergegeven in het vak Opties en is afhankelijk van het scannerstuurprogramma.
Opties
Toont de lijst met beschikbare geavanceerde opties voor scannerstuurprogramma's. Dubbelklik op een optie om de inhoud eronder weer te geven. De optie en de bijbehorende waardes zijn afhankelijk van het scannerstuurprogramma.
Over apparaat
Toont een pop-upvenster met informatie verkregen van het scannerstuurprogramma: apparaatadres, leverancier, scannermodel en type scanner.
Voorbeeld maken
Scant en geeft het document weer in het voorbeeldgebied. Gebruik de opdracht Voorbeeld maken om een voorbeeld van het gescande document te bekijken en de eigenschappen van de scantaak in te stellen.
Scannen
Scant een afbeelding, voegt het resultaat in het document in en sluit het dialoogvenster.